§2.2 Indicatoren en categorieën

‘Een goede band met leraren voorkomt spijbelen’, ‘Sport zorgt voor meer binding tussen mensen’ en ‘Jongeren van Turkse en Marokkaanse komaf voelen zich nauwelijks Nederlander’. Dat zijn de mogelijke uitkomsten van verschillende onderzoeken waarin de binding tussen en van mensen onderzocht wordt. De belangrijke vraag daarbij is: ‘Hoe meet je binding?’ Of anders gezegd: hoe zorg je ervoor dat je een variabele als binding kunt onderzoeken? In deze paragraaf staat het begrip indicatoren centraal.

Bij het doen van onderzoek is het meetbaar maken van variabelen een belangrijke stap. Dat heet operationaliseren en daarvoor zijn indicatoren nodig. Een indicator zet je op het spoor van een variabele. Zo is een variabele als ‘opleidingsniveau’ te onderzoeken door te vragen naar iemands ‘hoogst afgeronde opleiding’ (de indicator) en kan ‘katholiek’ een indicatie zijn voor iemands levensbeschouwing. Lastiger wordt het om bijvoorbeeld een variabele als ‘kwaliteit van vriendschap’ te meten: bepaal je dat door de ‘hoeveelheid uren die je met vrienden doorbrengt’ of door de ‘hoeveelheid whatsapp-berichtjes die je elkaar stuurt’? Of zijn andere indicatoren geschikter? Het vereist dus veel denkvermogen om goede indicatoren te vinden.

Een variabele die in onderzoeken bij maatschappijwetenschappen naar voren kan komen, is ‘schoolresultaten’. Dan kun je denken aan indicatoren zoals het onderwijsniveau waarop leerlingen les krijgen, of het diploma dat een volwassene heeft behaald, of aan de gemiddelde cijfers. We kunnen daar onderzoeksvragen bij stellen als: ‘Heeft het opleidingsniveau van de ouders van een leerling invloed op de schoolresultaten van die leerling?’

Of ‘Heeft de samenstelling van de klas invloed op de schoolresultaten van leerlingen?’

De variabele ‘opleidingsniveau ouders’ is eenvoudig meetbaar te maken, te operationaliseren dus, door in een enquête of interview de vraag te stellen: ‘Wat is het hoogste opleidingsniveau dat je ouders gevolgd hebben?’ Dat kan dan op een schaal gezet worden, van 1-5.

Bij het operationaliseren wordt dan bijvoorbeeld gesteld dat ouders die ‘basisschool’ antwoorden het getal ‘1’ krijgen en ouders die ‘universiteit’ antwoorden het getal ‘5’. Voorbeeld:

Wat is uw hoogst genoten opleiding?
1. Basisschool
2. Vmbo/mavo/mbo
3. Alleen havo of vwo
4. HBO
5. Universiteit

Sociale categorieën
Bij een onderzoek delen wetenschappers mensen ook vaak in groepen in. Bij een onderzoek naar politieke houding krijg je dan bijvoorbeeld de groepen ‘afwijzers’, ‘ontevredenen’, ‘onverschilligen’, ‘kritisch positieven’ en ‘tevredenen’. Deze groepen mensen delen eenzelfde houding met elkaar, maar hebben verder weinig gemeenschappelijks. Je kunt ze niet bij elkaar op straat vinden of zo voor je zien.

Dit soort groepen worden sociale categorieën genoemd: ze delen bepaalde kenmerken maar hebben geen gemeenschappelijke waarden en normen met elkaar. Ook hebben ze in principe geen contact met elkaar, het gaat om dat gedeelde kenmerk. Onder sociale categorieën vallen mensen met dezelfde achtergrondkenmerken, zoals vrouwen, inwoners van de Randstad of bejaarden. Ook kan het gaan om culturele variabelen, zoals de geloofsovertuiging van mensen of hun opvatting over politieke zaken.

Tot slot
Het vaststellen van geschikte indicatoren is belangrijk. Maar het is ook lastig, omdat onderzoekers verschillende meningen kunnen hebben hoe ze variabelen het beste meetbaar kunnen maken. Andere manieren waarop variabelen gemeten worden kunnen leiden tot andere resultaten en conclusies. Daarom is de verantwoording van de indicatoren een belangrijk onderdeel van onderzoek in de wetenschap.

 

Opdracht 9

Leerlingen kunnen de antwoorden versturen naar hun docent die via een account bij BookWidgets inzage en overzicht heeft. Dit account is op te vragen bij de uitgeverij.

Opdracht 10

Na het versturen verschijnen de antwoorden op korte vragen.