§2.1 Groepen en binding

In de digitale methode wordt de leertekst uit het lesboek inclusief foto's getoond. Daarna volgen de opdrachten die ook in het opdrachtenboek staan en tot slot kunnen er extra opdrachten worden getoond om leerlingen maximaal gebruik te laten maken van de interactiviteit van een digitale methode.

Alle mensen hebben een persoonlijke identiteit. Die is in het proces van socialisatie gevormd door invloed van verschillende socialisatoren. Maar tegelijkertijd hebben mensen hun sociale identiteit, horen ze bij groepen, zoals klas- of landgenoten. Maar de relatie met iemand uit je klas is heel anders dan met iemand uit een ander deel van het land. En de groep collega’s op het werk is op een andere manier met elkaar verbonden dan een groep vrienden.

Welk soort binding wordt op de foto afgebeeld?

 

Soorten bindingen
Mensen kunnen niet alles alleen, ze zijn afhankelijk van anderen. Denk maar aan eten kopen, kleren die mensen dragen of kennis die ze hebben: allemaal zaken waar ze anderen voor nodig hebben. Mensen zijn afhankelijk van elkaar en zijn daardoor aan elkaar verbonden. Er zijn vier soorten bindingen: affectieve, cognitieve, economische en politieke bindingen.

•    Affectieve bindingen: emotionele bindingen. Mensen geven elkaar liefde en steun en zijn daarvoor ook van elkaar afhankelijk. Affectieve bindingen verwijzen naar gevoelens om ergens bij te horen, zoals familie, vrienden of Nederland.

•    Cognitieve bindingen: bindingen op het gebied van kennis. Mensen zijn afhankelijk van anderen die hen iets leren, van ouders en leraren als je jong bent en van doktoren als ze ziek worden of van journalisten die de gebeurtenissen om hen heen kunnen vertellen of duiden.

•    Economische bindingen: bindingen die te maken hebben met werk, met goederen die ze nodig hebben voor hun bestaan. Daar hebben ze dus anderen voor nodig. Voor elektriciteit zijn de meeste mensen afhankelijk van een energiemaatschappij en voor het bouwen van een huis van de bouwvakker en de bank.

•    Politieke bindingen: bindingen die te maken hebben met zaken die geregeld moeten worden op het gebied van bijvoorbeeld onderwijs, zorg, verkeer, veiligheid. Dit zijn collectieve goederen en diensten. Die kunnen alleen geregeld worden door een overheid die over macht beschikt. Omdat mensen niet in staat zijn om alleen te zorgen dat er een ziekenhuis, een school of een weg komt en daar belastinggeld voor nodig is, moet de overheid de mogelijkheid hebben dwang uit te oefenen. Alleen zij heeft het recht om die dwang te gebruiken of geweld uit te oefenen als dat nodig is. Alleen zo kan criminaliteit worden aangepakt, of kan een land zich verdedigen tegen een aanval.

Cognitieve, economische en politieke bindingen kunnen tegelijk ook affectief zijn. Kinderen hebben met hun ouders een affectieve, economische en cognitieve band.

 

Groepsvorming
De bindingen die mensen met elkaar hebben kunnen ertoe leiden dat mensen een groep vormen. Dat kan gebeuren als mensen iets met elkaar delen, zoals dezelfde hobby (tennis bijvoorbeeld) of dezelfde interesse (zoals onderzoek doen naar de geschiedenis van een bepaalde stad). Mensen kunnen zich daardoor verbonden voelen met elkaar. Ook kan het zijn dat mensen gemeenschappelijke waarden hebben, zoals christenen die hetzelfde geloven of mensen die opkomen voor dierenwelzijn. Of hetzelfde belang, zoals werknemers die gaan staken om van hun werkgever een hoger salaris te eisen. Ook gelijke ervaringen kunnen gedeeld worden, zoals het geval is bij mensen die geadopteerd zijn of soldaten die in dezelfde oorlog gevochten hebben.

Er zijn allerlei bindingen mogelijk. Ook mensen met een vergelijkbare verwachting van de toekomst kunnen groepen vormen. Mensen die gaan emigreren hebben eenzelfde verwachting, net zoals vrouwen die in verwachting zijn van een kind en samen met andere zwangere vrouwen een groep vormen.

Mensen die horen bij dezelfde groep delen iets met elkaar en beïnvloeden elkaar, dat is groepsvorming. Denk aan groepen jongeren die op (of naast) het schoolplein roken of supporters in een stadion die hun favoriete club toezingen. Zij hebben gemeenschappelijke regels of gedragingen ontwikkeld die horen bij hun groep (roken en toezingen). Of als mensen bij een radicale groep gaan horen die als norm heeft dat geweld gebruiken normaal is. Kortom: mensen die bij een groep willen horen, passen hun gedrag aan de groepsnorm aan en beïnvloeden zelf ook weer de groepsnorm.

 

 

Groepsvorming
bindingen tussen meer dan twee mensen die tot stand komen, doordat ze elkaar beïnvloeden en gemeenschappelijke waarden en normen ontwikkelen.

 

In- en uitsluiting
Sommige mensen horen wel bij de groep en anderen duidelijk niet. Dat heeft te maken met insluiting en uitsluiting. De groep mensen die erbij hoort, wordt ingroup genoemd: daar is binding mee, een gemeenschappelijke sociale identiteit. Hoe sterker een groep zich met elkaar verbonden voelt en loyaal is aan elkaar, hoe meer de groepsleden geneigd zijn zich aan de groepsnormen te houden dan in gevallen van groepen met minder sterke bindingen. Om de groepsregels te handhaven is er in een groep vaak sprake van sociale controle: dat is het geval als mensen anderen ertoe brengen (of dwingen) zich te houden aan de normen van de groep. Groepsleden moeten niet afwijken van het gedrag dat hoort bij de groep en daarom houden de leden elkaar eraan. Als mensen zich houden aan dezelfde (groeps)normen kan de binding in de groep versterkt worden.

De mate van sociale controle verschilt per groep en kan net als groepen zelf formeel en informeel zijn. Er is sprake van informele sociale controle als groepsleden elkaar wijzen op de waarden en normen van de groep. In het vak met de fanatiekste supporters van Ajax zitten niet zo veel mannen in nette pakken, maar dragen ze Ajax-kleding. En als er iemand in Feyenoordshirt bij komt, zal die persoon dat shirt niet lang aanhouden. Ook als een buurvrouw haar buurman aanspreekt op de hondenpoep die de buurman niet opruimt, is dat informele sociale controle. Formele sociale controle verwijst naar mensen die vanuit hun beroep of functie anderen op de regels wijzen. Op basis van formele wetten, besluiten of vastgelegde regels hebben sommige mensen de taak gekregen ervoor te zorgen dat anderen zich aan de regels houden. Dat kan een politie-agent zijn die een bekeuring uitdeelt aan iemand die te hard rijdt, een leraar die een leerling voor de laatste keer waarschuwt of een scheidsrechter die een gele kaart uitdeelt.

Gaat het bij een scheidsrechter om formele of informele sociale controle? Leg je antwoord goed uit door te verwijzen naar de definitie van (in)formele sociale controle.

Tegenover de ingroup staat de outgroup: de mensen die niet bij de groep horen. Dat zijn mensen tegen wie je je afzet of met wie je in een soort strijd/competitie bent. Over de outgroup bestaan vaak stereotypen en vooroordelen. Stereotypen zijn vaststaande gegeneraliseerde beelden (beelden waar iedereen van de groep aan voldoet) en ideeën over een groep mensen, zoals Nederlanders die altijd op klompen zouden lopen en mannen die alleen maar geïnteresseerd zouden zijn in vrouwen en voetbal. Vaak zijn stereotypen gebaseerd op vooroordelen: dat zijn vooringenomen meningen over een groep mensen (dus geen feiten), zoals we bijvoorbeeld vinden in de stellige bewering dat ‘meisjes zwak zijn in wiskunde’, dat ‘Duitsers bierbuiken’ hebben en ‘Grieken lui’ zijn.

Stereotypen hebben vaak een negatieve lading, maar kunnen ook neutraal worden gebruikt. Door stereotypen en vooroordelen over anderen zet de ene groep zich af tegen de andere groep waardoor de binding in de groep toeneemt.


Trekkies (Star Trek fans) en bikers: welke overeenkomsten en verschillen zijn er te zien? Passen de beelden bij het stereotype? Welk vooroordeel roept elk beeld op?

Bindingen tussen mensen in een groep zijn niet eeuwig. Een groep houdt soms op een groep te zijn, of soms wordt afscheid genomen van een aantal leden van de groep. Er worden dan ook drie situaties onderscheiden waarin mensen niet (meer) bij een groep horen:
•    mensen kunnen er niet meer bij horen, bijvoorbeeld omdat ze verhuizen naar een andere plek en daarom fysiek niet meer in staat zijn om er bij te kunnen horen;
•    mensen mogen er niet meer bij horen, een voorbeeld daarvan zijn sekten die het leden ervan verbieden contact te houden met hun families;
•    mensen willen er niet meer bij horen; bijvoorbeeld mensen die ervoor gekozen hebben om de katholieke kerk te verlaten nadat schandalen rondom misbruik van priesters bekend werden.

 

Formele en informele groepen
Niet alle groepen zijn hetzelfde. Het is duidelijk dat mensen die op het schoolplein samen roken niet te vergelijken zijn met een groep soldaten die in dezelfde oorlog hebben gevochten.

Een indeling die daarbij helpt is die tussen de formele en de informele groep. In een informele groep kennen mensen elkaar en voelen ze zich emotioneel met elkaar verbonden. Er zijn ook geen afspraken die officieel vastliggen. Gezinnen en vriendengroepen zijn de bekendste voorbeelden.

Daarnaast zijn er formele groepen. Dit zijn groepen met regels die vaak op papier zijn vastgelegd, of regels die anderen makkelijk herkennen. In deze groepen is er vaak sprake van een bepaalde hiërarchie. Ook hebben de leden vaak een bepaalde rol en zijn er doelen en normen voor de groep. Denk aan een klas, een afdeling op een bedrijf of een sportteam.

Binnen een formele groep kan ook weer een informele groep ontstaan, zoals collega’s die elke week de vrijdagmiddagborrel bezoeken of sporters die na afloop van de wedstrijd nog als vrienden bij elkaar blijven. In die situaties is er geen formeel karakter  meer, en is het een informele groep.

 

Tot slot
Op verschillende manieren zijn mensen verbonden met anderen en afhankelijk van elkaar. Bindingen en afhankelijkheden tussen mensen kunnen leiden tot groepen waarbij de groepsleden elkaar beïnvloeden. Sommige mensen horen wel bij de groep en andere niet, dat noemen we insluiting en uitsluiting. Hoe sterk de bindingen in groepen zijn verschilt per groep, maar door sociale controle, stereotypen en vooroordelen kunnen bindingen versterkt worden. Ook zijn er situaties waardoor mensen niet meer bij een groep kunnen, mogen of willen horen.

Hieronder een voorbeeld van enkele opdrachten. 

Leerlingen kunnen gedwongen worden een quiz (korte meerkeuze toets) te maken voordat ze naar de volgende paragraaf mogen. Dat is in dit voorbeeld uitgeschakeld zodat u meteen naar §2.2 kunt. 

Graag willen we ook rekening willen houden met uw voorkeuren. Een digitale methode is aanpasbaar aan de wensen van docenten, zeker in het ontwikkelstadium (tot de zomer van 2017). Zie de volgende paragraaf voor onze gedachten en contactgegevens.

Opdracht 1 – Theorie

Opdracht 1 is een opdracht waar de leerling de leertekst voor nodig heeft. In dit voorbeeld hoeft de leerling niet in te loggen en kunnen de antwoorden niet verstuurd worden. In de uiteindelijke versie loggen de leerlingen in.


De antwoorden versturen zij naar een server, waar de docent toegang toe heeft. Zie dit voorbeeld van onze partner BookWidgets.

 

Opdracht 6 – Oma op facebook in de klas

Opdracht 6 is een toepassingsopdracht uit het opdrachtenboek. Tussen april en juli worden in principe alle opdrachten uit het gewone boek overgenomen. Maar dat is nog maar het begin...